‘Hare Excellentie’

blog gedeelte uit boekomslag Hare excellentie

“Twintig maanden knettergek”, zo beschreef Ella Vogelaar (Minister Wonen, Wijken en Integratie, kabinet Balkenende IV) het ministerschap. Het is een eervol, maar zwaar beroep. Een werkdag van veertien uur is geen uitzondering. Na lange vergaderingen staan er nog de beruchte loodgieterstassen vol met beleidsstukken te wachten. “En dan weet je één ding zeker: als ik ze vannacht niet leeg lees, dan heb ik er morgen nog meer.” Zegt Liesbeth Spies (Minister Binnenlandse zaken, Rutte I). Het boek ‘Hare Excellentie’ van Monique Leyenaar geeft een inkijkje in het drukke leven van de 33 vrouwelijke ministers die Nederland de afgelopen 60 jaar heeft gehad. Naast verhalen over hoofdpijndossiers, moties van wantrouwen en pittige debatten, worden ook persoonlijke verhalen verteld over de ministers. Zo hebben de vrouwelijke ministers en staatssecretarissen van Kok I een vrijdagochtendgymnastiekclubje opgericht, om voor de vergaderingen om half 8 samen te fitnessen.

Ien Dales (Minister Binnenlandse Zaken, Kabinet Lubbers III): “Ik voel me niet zo duidelijk “vrouw”. Ik voel me bezig.” Maar vaak tegen de zin van de vrouwen zelf, speelt het vrouw-zijn ook een rol bij het ministerschap. Zo weegt het geslacht mee in de benoeming van ministers, worden vrouwelijke ministers op een andere manier beschreven in de media en komen vrouwen vaker terecht op ‘feminiene ministeries’.

Stereotypering in de media: bitch of softie

De media zijn voor ministers aan de ene kant nuttig en noodzakelijk en aan de andere kant onaangenaam en risicovol. Voor vrouwen is deze relatie nog extra lastig. Berichtgeving over vrouwelijke en mannelijke politici is namelijk nog steeds verschillend. Bij vrouwen gaat het vaker over het uiterlijk, persoonlijke eigenschappen en het privéleven dan over politieke ervaring, beleid en deskundigheid.

Met name de eerste vrouwelijke ministers krijgen te maken met vragen of het gezin en een politieke carrière wel te combineren zijn. Een andere stereotype is dat vrouwelijke ministers geen assertieve leiders kunnen zijn. Er wordt verwacht dat zij sensitiever en empathischer zouden zijn. Tegelijkertijd mogen ze vooral niet hun emoties tonen, omdat het dan lijkt alsof ze zwak zijn en het ‘niet aankunnen’.

Zo is er veel aandacht voor de verbale strijd tussen minister Maij-Weggen (Minister Verkeer en Waterstaat, kabinet-Lubbers III) en (toen nog) kamerlid Jorritsma (later minister in kabinet Kok I en II), die twee ‘kijvende wijven’ worden genoemd. Ella Vogelaar vertelt dat je als vrouw snel óf als een bitch óf als een softie wordt neergezet.

Van ‘excuustruus’ naar minstens vijf vrouwen

Door de jaren heen zijn er langzaam maar zeker veranderingen verwezenlijkt. In de elf kabinetten tussen 1952 en 1977 heeft er nooit meer dan één vrouw deelgenomen. Vrouwen werden vooral aangenomen ‘om van het gezeur af te zijn’ en niet vanwege de overtuiging dat vrouwelijke bewindslieden een toevoeging zouden zijn. Voorbijgaand aan de kwaliteiten en specifieke inbreng van individuele vrouwelijke ministers en staatssecretarissen, worden vrouwen gezien als de excuustruus in een kabinet. De boodschap was helder: één vrouw is wel genoeg. Door de tijd heen is deze norm verschoven naar ten minste vijf vrouwen. Als in 2010 blijkt dat er slechts drie vrouwen in de regeringsploeg van Rutte I, zorgt dit voor felle kritiek. Ook speelt geslacht bij de benoeming tegenwoordig een minder grote rol volgens de vrouwelijke ministers.

Daarnaast zijn de opvattingen over typische vrouwen- en mannenministeries veranderd. Dat Marga Klompé (eerste vrouwelijke minister van Nederland) minister wordt van Maatschappelijk Werk past bij de normen over gender in de jaren ’50. Er werd gesuggereerd dat ze zelf liever minister van Buitenlandse Zaken was geworden – vanwege haar interesse en deskundigheid op dit terrein – maar vrouwen werden niet geacht zich bezig te houden met een ‘harde mannelijke sector’.  Tegenwoordig zien we Jeanine Hennis-Plasschaert aan het hoofd van Defensie, één van de Ministeries met het meest mannelijke imago.

De vrouwelijke ministers geven aan het idee te hebben dat ook mannelijke ministers zijn veranderd. Zij stellen zich minder macho op en ‘helpen mee het pad schoon te vegen’. Dat ministers – zowel mannen als vrouwen – de zorg hebben voor kinderen en dat dit soms voorgaat, is geen taboe meer in Rutte I en II. Zo stelt een aantal mannelijke ministers de lange vergadertijden ter discussie, omdat ze met hun gezin willen eten.

‘Gezocht: de vrouw die Rutte opvolgt’

Monique Leyenaar pleit aan het eind van haar boek dat het tijd is voor een vrouwelijke premier: Anno 2017 is de tijd dat Nederland niet ‘rijp’ zou zijn voor een vrouwelijke premier voorbij. Net zoals de norm voor het aandeel vrouwen in een kabinet met de tijd is verschoven van excuustruus naar ten minste een derde, is ook het stereotiepe beeld dat een minister-president per definitie een man moet zijn aan het vervagen.

In een tijd van sterke polarisering, zowel partijpolitiek gezien als in de samenleving, is er veel behoefte aan charismatisch, bindend en competent leiderschap, eigenschappen die vrouwen bij uitstek hebben. Dat laat dit boek heel mooi zien.

Hare excellentie : zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland

Deze blog is geschreven door Marly van Bruchem, student Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en stagiaire bij Atria. Zij houdt zich met name bezig met onderzoek voor een boek over de geschiedenis van het Nederlandse emancipatiebeleid. 

Delen:

Gerelateerde artikelen